Wanneer een kind twee jaar oud geworden is, neemt zijn of haar taalvaardigheid in rap tempo toe. Zo leren peuters vanaf hun tweede jaar meer taalregels en gaan ze meer verschillende woordsoorten gebruiken.

Meerwoordenstadium en taalregels
In het begin zal een peuter zinnen van slechts twee woorden gebruiken om met je te praten. Als ouder reageer je hier natuurlijk op met lange, volledige zinnen. Dankzij deze respons breidt een peuter zijn eigen taalvaardigheid enorm uit en zal hij of zij, bij een leeftijd van 2,5 jaar, zinnen gaan vormen die bestaan uit 3, 4 of 5 woorden. Zodra dit lukt, begint een peuter de taalregels van zijn moedertaal beter te begrijpen en toe te passen. Het gebruiken van taalregels die een peuter opgepikt heeft, gaat gepaard met een boel creativiteit.

Denken en bedenken
Door nieuwe woorden te leren, wordt de denkwereld van een peuter vergroot. Wanneer een peuter weet met welke woorden een voorwerp of situatie aangeduid kan worden, kan een peuter beter nadenken over alles wat zich om hem of haar heen afspeelt. Vervolgens kan de peuter ook beter praten over zijn ervaringen en gevoelens. Na een tijdje zal een peuter ook zelf woorden verzinnen voor dingen waarvan hij de benaming niet weet. Vaak zijn dit samengestelde woorden die volgens de logica van het kind gevormd worden. Natuurlijk is het belangrijk om het kind het juiste woord aan te leren, waarna de peuter het zelfverzonnen woord uiteindelijk zal vergeten.

Eerste stapjes van de grammatica
Peuters met een leeftijd van 2,5 jaar beginnen het onderscheid tussen enkelvoud en meervoud te herkennen aan de achtervoegsels "-en" of "-s". Aan het begin zal een kind deze twee achtervoegsels nog vaak elkaar halen, waardoor het bijvoorbeeld “tv-en” zegt.

Een ander aspect van de grammatica is het vervoegen van werkwoorden. Zo leert het kind “ik ben” en “jij bent” te zeggen. Als een peuter drie jaar oud is, gaat het vervoegen van woorden redelijk foutloos.

Bij het vervoegen van werkwoorden hoort ook het maken van de verleden tijd. Het stampen van onregelmatige werkwoorden zoals “eten” en “slapen”, dat “at” en “sliep” wordt, vergt veel oefening.

Ook het leren van de juiste bijvoeglijke naamwoorden en voorzetsels is een hele opgave voor peuters. Ze moeten het verschil inzien tussen henzelf en anderen en ze maken veel gebruik van hetzelfde (soms onjuiste) voorzetsel.

Op een bepaald moment begint een peuter vraagzinnen met de juiste woordvolgorde te formuleren, terwijl ze eerst simpelweg van intonatie veranderden bij het uiten van wensen en verlangens.

Wanneer een peuter drie jaar is, weet hij ook het woord “niet” meestal op de juiste plek in de zin te plaatsen.